't Huys Finesse is gelokaliseerd op dezelfde plaats waar mijn grootmoeder zaliger haar winkeltje uitbaatte. We spreken van de late jaren 40, de jaren 50 en 60.
De cirkel is terug rond...
't Huys Finesse werd drie jaar geleden geopend in dit oude pand waar de muren verhalen kunnen vertellen, waar de deuropeningen nog heel laag zijn... waar de snoepen van weleer worden verkocht : zoethoutstokken, roze spekken, belga's, whippers...
Waar dit cursiefje van Jos Ghysen zo sprekend is en bijgevolg niet mocht ontbreken.
Cursiefje Madame Vandeven.
Wanneer ik aan de building voorbijkom -en dat gebeurt vrijwel elke dag- denk ik aan madame Vandeven. Zij heeft destijds mijn kinderjaren verblijd. En voor weinig geld. Haar man trok elke ochtend met een borstel en een emmer kalk de stad uit, de boerderijen langs, om de gevels te gaan “witten”. Maar daar kon je geen zes kinderen van te eten geven en daarom schoof zijn vrouw een houten tafeltje tot tegen het venster aan de straatkant en stalde daar de heerlijkheden uit die op ons, onderweg naar school, naar binnen moesten lokken.
Het was een van de kleinste huisjes van de stad en wie nog het echte oude dialect spraken, zegden dat je er overheen kon plassen. Het aanbod snoep was niet groot, het waren trouwens de crisisjaren dertig, maar zij kende perfect onze budgettaire mogelijkheden. In kartonnen dozen lagen zwarte belga's, gedroogde bruine zoethoutstokken, zachte roze en witte spekken, hosties met prikkelend zuur poeder gevuld, geribde drop in zwarte rolletjes die wij schoenveters noemden, heftig gekleurde knikkers waar onervaren kameraadjes al meteen hun tanden op stuk beten. Wij, de kenners, wisten veel beter. Wanneer je met je tong zo een knikker heen en weer in je mond liet rollen, kon je er makkelijk tot drie kwartier puur genot aan hebben. En je kreeg vijf knikkers voor een kwartje. Reken je winst maar even uit.
Zoethoutstokken duurden natuurlijk het langst, tot een halve dag zelfs maar er bleef daarna dan wel nog urenlang een nare wrange smaak in je mond hangen. En je kreeg de houtvezels niet van tussen je tanden. Het zwaarst op ons budget wogen de repen chocola maar in elke reep zat dan ook wel een gekleurd prentje met de grote renners van toen. Romain en Sylveer Maes en Gust Danneels en Braspenninck en Poeske Scherens en Lapébie. Onze goden van toen. Het snoepwinkeltje van madame Vandeven was een oase in ons leven.
Op een dag dreigde echter een ramp. Een vriendje had bij hem thuis in een gesprek van zijn moeder met de buurvrouwen toevallig gehoord “dat bij madame Vandeven alles was weggehaald”. En toen waren ze allemaal erg geschrokken en ze hadden meewarig het hoofd geschud. Wij renden met vier tegelijk naar het winkeltje en zagen meteen dat het een loos bericht betrof en dat alles er nog lag.
Terug thuis bracht mijn vriendje trots en buiten adem het verblijdend bericht.
“Het is niet waar hoor want wij zijn gaan kijken, ze hebben bij madame Vandeven niks weggepakt, alles ligt er nog”. Zijn moeder en de buurvrouwen waren niet eens blij, ze keken alsof het buiten donderde en wij begrepen er niets van.
Nog elke dag kom ik aan de building voorbij. Twintig deurbellen zijn er wel maar ik ken er niemand. Ik zou niet weten bij wie ik moet aanbellen voor roze of witte spekken. En ze zullen de schouders ophalen als ik vraag of madame Vandeven hier toevallig woont. Het moeten destijds profetische woorden geweest zijn.
Ze hebben echt alles weggehaald.
Jos Ghysen
Het cursiefje “Madame Vandeven” is gepubliceerd op de website van 't Huys Finesse en dit met toestemming van de heer Jos Ghysen.

